Zo bang

Ze hebben zo’n griezelig lange staart

en een hele enge snuit

Ze zijn zo verschrikkelijk vies behaard

en kruipen overal uit.

 

Ze kunnen zo vreselijk stinken

En ze zijn zo watersnel

Als ze bij onze sloot drinken

Dan spring ik haast uit m’n vel

 

Ben jij ook zo bang voor ratten

bah, ik droom er ’s avonds van

droomde ik maar over katten
dan was ik eerlijk niet zo bang.

_______

 

 

 

Flits, boem, knetter, beng

ooh, wat vind ik het toch eng

flitsen, knallen, keer op keer

‘k ben zo bang voor knal-onweer!

 

Kijk een flits en hoor de donder

‘k Ben zo bang, da’s toch geen wonder

Knal, boing, knetterknet

Ik vlucht maar snel weer in m’n bed.

 

En terwijl het maar blijft rommelen

probeer ik weer in te dommelen

Knal, boem, ‘k schrik me lam

Kruip in bed bij pap en mam.

 

’t Onweer kan hier toch niet komen

laat mij hier maar verder dromen

’t gaat gelukkig snel voorbij

onweer da’s echt niks voor mij.

______

 

 

 

‘k Ben zo bang voor de buren

want dat zijn van die zure

Altijd mopperen, altijd zeuren

Ik mag niet op ’t stoepje kleuren

Ik mag niet schreeuwen en niet zingen

en niet voor hun ramen springen

Altijd maak ik teveel lawaai

Oh, mijn buren zijn zo saai

 

als ik mijn bal in hun tuin heb geknald

dan komen ze buiten, met vuisten gebald

altijd klieren, altijd gallen

ik mag niet in ons tuintje ballen

en niet met het water spetteren

anders slaan ze weer aan ‘t knetteren

Buren, nee ik hoef er geen

ik woon het liefst apart, alleen.
______

Eén tree, nog een tree

maar dan gauw weer naar benee

Boven op een hoog gebouw

nee hoor, zelfs nog niet met jou.

Boven op een heel hoog dak

Voel ‘k me niet op m’n gemak

Boven in de bomen

Durf ik niet te komen

‘k durf niet op een trapje

nog niet eens een stapje

op de wip wap wil ik nooit

bang dat ik wordt weggegooid

en niet duiken en niet springen

en niet op een stoel staan zingen

 

Zo is het altijd al geweest

ik heb last van hoogtevrees

Laat mij dus maar op de grond
omdat ik dat ‘t veiligst vond.

______

 

 

 

 

Ben jij ook zo bang voor water

Nee, niet water uit de kraan

maar om ’t zwembad in te gaan

misschien wil ik ’t wel later

 

Nee, ik wil er niet in springen

koppie onder met m’n bol

’t zwembad is me veel te vol

‘k weet nog wel veel leuk’re dingen

 

Ik durf ook niet van de hoge

ook niet met een zwemband om

ook niet als je hard roept “KOM”

Laat mij nou maar op ’t droge

 

want ik zal je even zeggen

zwemmen vind ik SUPERSTOM!

______
We doe hier best veel spelletjes

En ik word fijn verwend

Maar nu vind ik het welletjes

Het is zo onbekend.

Het is voor mij de eerste keer

dat ik bij anderen logeer.

 

De dagen die gaan best wel vlug

de nachten zijn heel lang

dan wil ‘k liefst naar huis terug

in dit bed ben ik bang.

Ik zie hier op de witte muur

Maar steeds een raar en groot figuur.

 

De lakens ruiken niet naar thuis

m’n kussen is te dik

‘k pak maar snel m’n knuffel “pluis”

terwijl ‘k een traantje snik.

Morgen komen pap en mam

zodat ik fijn naar huis toe kan.

 

Ik vond logeren best wel fijn
en spannend vond ik het

maar ergens zou ‘k liefst nu zijn

weer in m’n eigen bed.

Dan neem ik voor een volgend keer

Alles van thuis mee, als ‘k logeer!

______

 

 

 

 

 

Ben jij ook zo bang voor slangen

van die glibber gladde lange

 

ze kronkelen overal maar uit

met zo’n sidder-sis geluid.

 

Nee, als ik er een zie glibberen

dan begin ik al te bibberen.

 

En dragen ze hem om hun nek

dan denk ik, die’s KNETTERGEK!
______

 

Heb jij ook zo’n last

van krokodillen in je kast?

 

Misschien is het wel dom

Maar dan hoor ik “GROM”

Of het is dan net

of ze snurken onder ‘t bed.

 

Monsters groot en groen

ik kan er heus niks aan doen

met zo’n enge bek

zeg, vind jij dat gek?

 

Voordat ik slapen ga

kijk ik alles, alles na.

Onder bed, in de kast

achter gordijnen kijk ik vast.

 

En door het sleutelgat

In m’n speelgoedkrat

en heb ik overal gekeken

hou ‘k m’n tenen onder de deken.
______

 

 

 

Ben jij ook zo bang voor spoken

‘k wou er soms wel soep van koken

maar lig heel diep weggedoken

anders bijten ze in m’n bil!

 

Ben jij ook zo bang voor geesten

niet voor alle, wel de meesten

dan beginnen ze te feesten

altijd als ik slapen wil!

 

En dan hoor ik oeh en boe

Hou eens op met dat gedoe!

Ik wil ik naar m’n moeder toe

En dan geeft ie me een gil!

 

Mooi weer dat het dan begon

ik zie ze ’t eerst op m’n plafond

Ik wou maar dat je ze koken kon!

Hou je nou eens eind’lijk stil!
______

 

 

 

Ben jij ook zo bang voor honden

met die grote waf woef monden

 

Als die joekels dan gaan grommen

Was ik ’t liefst

net als de kat

in de hoogste boom geklommen.

 

Ben jij ook zo bang voor honden

omdat ze zo hoog springen konden

 

Als het baasje dan roept “KOM”

Ging ik ’t liefst

zo hard als ik kon

eventjes een blokje om.

______

 

 

 

 

Ben jij ook zo bang voor spinnen

‘k weet niet wat ik moet beginnen

als ze lopen in de gang

of kruipen op m’n geel behang

 

Dan ga ik vanzelf gillen

jaaaaaa, ik zou wel anders willen

ik begin me toch te trillen

want ik ben zo vrees’lijk bang.

 

‘k Wou maar dat ze niet bestonden

zaten ze maar vastgebonden

aan hun eigen garenklos

kwamen ze maar nooit meer los.

______

 

 

Ben jij ook zo bang in ’t donker

in de stikke stille nacht

tussen al dat stergeflonker

ook als ’t maantje naar je lacht?

 

‘k Lig in bed heel stil en luister

alles is zo zwart en uit

praten lijkt nu wel gefluister

en je hoort elk raar geluid.

 

Roep ik boven aan de trap

Mag mijn deur wel op een kiertje

en de lamp aan lieve pap

en mag ik m’n knuffeldiertje

 

Lig ik heen en weer te rollen

Stilliggen dat lukt niet lang

Wil ik naar beneden hollen

want ik ben in ’t donker bang.

______

 

Ben jij ook zo bang voor ruzie

van gescheld, getier, gevloek

soms zie je ’t op televisie

en ook in een spannend boek.

 

Maar ’t aller, allerergste

is ruzie van je pa en moe

’t liefst zou je dan weg gaan sluipen

of ver in een hoekje kruipen

naar je weet niet waar naar toe.

 

Ben je bang dat ze gaan schoppen

ben je bang dat ze gaan slaan

en je vraagt ze of ze stoppen

en zij, of je weg wilt gaan.

 

Maar ’t aller, allerfijnste

ruzie duurt nooit erg lang

geef je vriendje maar een kusje

of de pop weer aan je zusje

goed maken is ’t leukst ervan.

______

 

 

 

 

Ben jij ook zo bang voor boeven

die de ramen los gaan schroeven

en dan door ’t venster kruipen

om naar binnen toe te sluipen.

 

Ben jij ook zo bang voor dieven

altijd stomme, ’t zijn nooit lieve

soms moet ik er wel van dromen

dat ze aan m’n speelgoed komen.

 

Papa zegt wees maar niet bang

omdat ik die boeven vang

‘k Vang ze met m’n grote hengel

elke slechte boeven-bengel.

_______

 

 

 

 

 

Ben jij soms ook bang voor oorlog

al die beelden op t.v

mensen die maar raak gaan schieten

en wat moeten wij daarmee?

 

Hoor je weer over granaten

of een krater in de grond

stukke huizen, lege straten

denk je dat ‘k dat vrolijk vond?

 

Hoor je ze weer over bommen

hoeveel doden allemaal

oorlog is toch voor de dommen

vinden ze dat nou normaal?

 

En als wij eens schelden, schoppen

vinden mensen groot en klein

dat al helemaal niet kloppen

vinden ruzie echt niet fijn.

 

Laten ze een voorbeeld geven

Heb ik ze laatst eens verteld

Want ik weet niet hoe ik moet leven

In een wereld van geweld!

_______

Ik ben zo bang, ik ben zo bang.

Dat ben ik al m’n leven lang.

M’n buik die rommelt als een gek.

Er zit een brokje bij m’n nek.

Ik beef en bibber als een riet.

En overgaan doet het maar niet

 

Als ik op straat speel elke keer.

Dan komen daar die kriebels weer.

Ook in m’n kamer, in m’n bed

Of als ik zit op het toilet.

Soms denk ik, ligt dat nou aan mij.

Want ‘k krijg ‘t overal wel bij.

 

Ze noemen me een bangerik.

Omdat ik overal om snik.

Ze noemen mij een bange haas.

Ze zijn me altijd weer de baas.

Misschien dat ik er nog aan wen

Pas later, als ik groter ben

______

 

 

 

 

O, ik ben zo vreeslijk bang

Dat ‘k m’n plas niet houden kan.

Als ik met de auto moet

Weet ik het al bliksemsgoed

Eerst een plasje voor we gaan………

Grote jongen, Daan!

 

Maar in de auto op de weg

Krijg ik weer de grootste pech

Begint het al te kriebelen

En ik begin te wiebelen

Dan voel ik het, ‘t komt eraan……….

O,o, dat is weer Daan!

 

Ik durf ook bijna nergens heen

Ik vind mijn plasbuik heel gemeen

Mijn mama geeft me dan een zoen

En zegt “je kunt er niets aan doen”

Het zal vast wel over gaan……..

Als je groot bent Daan!

______
Altijd vloeken, altijd schelden.

Ze voelen zich al hele helden.

Altijd razen, altijd tieren.

Oh, wat zijn ’t toch een klieren.

Altijd schreeuwen, altijd dreigen,

dat ze mij wel zullen krijgen

En dan krijg ik op m’n donder.

Ik ben bang is dat een wonder?

Voor de jongens uit mijn straat,

waar ik eig’lijk nooit mee praat

Meestal loop ik even om

als ik ze weer tegenkom.

Maar ’t helpt geen ene zier.

Nooit houdt het op dat rot geklier.

Ze staan gewoon op me te wachten.

Ze zijn nooit uit m’n gedachten.

Papa zegt dat ik moet slaan.

Maar als ik ze dan zie staan,

slaan de bibbers in m’n knieen.

Ze zijn vaak ook met z’n drieen.

Op het hoekje staan ze daar.

Ze slaan me toch wel in elkaar.

Had papa maar een huis gehuurd,

In een leuke niet-pest buurt!

______

 

 

 

Als je het even niet ziet zitten

       Versjes door:

Wampie  le Comte

 

 

 

Geef een reactie