Met je neus op de grond

MIEREN

 

Wij zijn zo druk, wij zijn zo druk

Wij moeten heel hard werken

wij werken ons het mierenzuur

dat zul je vast wel merken.

 

Wij zijn de hele dag maar druk

maar dat is nou ons mieren geluk

 

Wij zuchten niet

wij kreunen niet

wij zingen wel ons mierenlied

werken maakt je tierig

en van luieren word je mierig

DE SCHILDPAD

 

De schildpad loopt gestaag

komt hij er niet gisteren

dan zeker toch vandaag

 

En dreigt er gevaar

dan trekt hij heel vlug

zijn kop in zijn schildpaddenschildje terug.

MOTTEN

 

Ik eet jouw kleren niet kapot                                                 Ik ben dol op kleren

“het is mijn maaltijd”, zegt de mot                                       van dames en heren

je kan nog zo hard roepen                                                      hoe muffer, hoe beter

ik laat mij dat laatste mouwtje niet versnoepen.               Ik ben dan ook bij uitstek een ferme jasseneter!

 

En wil je mijn maaltje vergallen

geef dan als dessert
geen kraag of revers

maar een portie overheerlijke mottenballen.

 

DE SLAK

 

Daar gaat hij dan op z’n gemak

heel geduldig gaat de slak

links en rechts maar ook rechtdoor

zo maakt hij een slakkenspoor.

 

Met zijn huisraad op z’n rug

hoeft hij nooit naar huis terug

hoeft hij nooit op tijd te zijn

is dat slakkenleven fijn?

 

 

 

DE EEND

 

Ik spetter in ’t water

ik snetter en ik snater

ik plons en plens

alles gaat mij naar wens

 

En heb ik een groot plonstranen verdriet

dan verdwijn ik stiekempjes achter ’t riet

dan ween ik steentje bij beentje

in m’n eenden-eentje.

 

 

 

DE SPIN

 

Ik spin en ik smeed

het mooiste spinnenkleed

 

ik kriebel

ik wiebel

 

ik ben gereed

 

Ik wacht in mijn web

tot ik een maaltje heb

 

En ben ik niet tevree

dan neem ik mijn garenklos mee

ik doe mijn kriebel-spinnen-plicht
en stuur je een verhuis-bericht.

DE VLINDER

 

Ik fladder, ik vlinder, ik dartel wat rond

en soms strijk ik neer op een blad of de grond

Soms zit ik hier en soms zit ik daar

En bedenk dan zomaar wat bij elkaar

Ik luister en ik kijk

en dat alles maakt me rijk

Ik ben een vlinder

en ik hinder

niemand om me heen.

 

Ik fladder

en ik vlinder

en ik dartel

in het rond

Je moet wel erg dom zijn

Als je mij zomaar een vlinder vond.

 

 

DE EGEL

 

Smikkel, smikkel

prikkel, prikkel

 

In de winter dan slaap ik

in de zomer dan prik ik.
DE SLANG

 

Ik sidder, ik sis

ik ben echt niet mis.

 

Voor niemand ben ik bang

want mijn naam is slang.

 

Ik ratel en kronkel mij over de grond

Ik wou dat je mij maar wat aardiger vond

Want al ben ik wat glibberig en kaal van vel

Ik meen het niet kwaad

en anders sis ik wel.
DE BLOEM

 

Bloemenpracht

bloemenzee

Na ruzie neem je bloemen mee

Een bloemenruiker

een bloemenboeket

Zo uit ’t veld, of keurig in ’t net

Bloementuin

bloemenperk

In de kamer of op ’t werk

Bloemen die geuren

bloemen die kleuren

Bloemencorso

Bloemenpraal

iedere bloem heeft een eigen verhaal

iedere bloem heeft een eigen gedicht

en voor jou heeft zij er ook eentje wellicht.

 

DE VIS

 

Visje, visje in je kom

jij draait steeds je rondje om.

 

Visje, visje in ’t nat
Jij bent vrij, zeg wist je dat?

LIEVE-HEERS-BEESTJE

 

Aan de stipjes kun je zien

hoe oud dit beestje is, misschien

weet je, dat lees je

op de rug van dit beestje.

 

Heel vaak is dit lieve beest

al een geluksbrengertje geweest

Hij dwaalt dan over bladeren

En komt soms op je hand

dat is wanneer ’t geluk, bij jou is aangeland!

 

 

 

DE AARDBEI

 

Wat is toch jouw beloninkje?

Hoe maak ik jou weer blij?

Vast met een zomerkoninkje

Met zo’n mmmmmm aardbei.

 

Jij weet ze vast te hangen

Hé, wacht eens, neem me mee

twee aardbei rode wangetjes

maakt iedereen tevree.

 

 

HET KONIJN

 

Ik huppel en huppel

van druppel naar druppel

ik rol en ik dol

van het een naar het andere hol.

 

Ik graaf diepe holen

zit dan ver verscholen

waar niemand kan komen

en droom knabbelende konijnendromen.

 

van penen en knollen

en fijn rolle-bollen

Word ik dan in mijn slaap gestoord
Dan huppel ik weer vrolijk voort!

 

DE MOL

 

Diep onder de aard’

daar woont heel bedaard

in een diep donker hol

een nietsziende mol.

 

Soms komt hij eruit

die kleine schavuit

dan krijgt hij de schuld

van een mols-hopen-bult.

 

 

DE WORM

 

Glijden en glibberen

beven en bibberen

glibber en glij

met zon ben ik niet blij.

 

Ik ben glibberig lang

kruip door mijn ellenlange gang

ik zie geen zier

men noemt mij soms pier.

 

En hoor! Je zult ’t niet geloven

Ik kom voor een regenbui naar boven

Zien ze mij dan, helaas

Word ik gevangen als vissenaas.

 

DE UIL

 

Overdag slaapt hij

want dan is hij moe

maar ’s avonds dan waakt hij

en roept hij OEHOE.

 

’s Nachts zijn z’n ogen op z’n best

en zit hij op wacht in z’n uilennest

Hij tuurt naar wat eetbaars

En krijgt hij last van z’n gal?
dan spuugt hij pardoes, een uilenbal.

DE KIKKER

 

Ik kwaak, in ’t riet

Ik kwaak voor jou een mooi kikkerlied

 

Ik spring kwakend vlug

Ik spring naar een malse maar magere mug.

 

Als ik mij verslik

dan heb ik KWAAK !!, de kikkerhik!

 

DE EEKHOORN

 

Ik spring heel bedaard

in volle vaart

met wijn wapperende eekhoorn-                                                                                                                                           staart.

 

Ik soes in ’t zonnetje

op m’n bomen-balkonnetje

en is de honger erg groot
dan knabbel ik een beukennoot.

 

DE BIJ

 

Ik rommel en schommel

Ik zoem en ik gons

Ik ben een hommel

en soms hoor je, BONS!

 

Dan ben ik beland met een kreunend gezoem

boven op de kelk van een honing-bloem

Ik sabbel aan meeldraden

Voldoe aan mijn bijendaden.

 

Dan schommel ik weer voort

precies zoals het hoort

Ik gons en ik zoem

naar de volgende bloem.

DE SPRINKHAAN

 

Kijk ‘m eens springen

kijk ‘m eens gaan

hoor ‘m eens zingen

kun jij ‘m verstaan?

 

Hij zingt over sprongen, zover als hij kan

Zo’n springende sprinkhaan, die kan er wat van

 

Hij springt over torens en over jouw dak

Zo’n sprongetje maakt hij gerust, met gemak

 

Hij kan je vertellen wat hij ziet bij het springen

Hij kan er hier zelfs een mooi liedje van zingen.
DE MUIS

 

Pieppiep, pieppiep, pieppiep

Zeg, hoor je wel dat ik je riep?

Misschien zit ik wel in jouw gang

of achter je bloemetjes-behang.

 

Misschien wel achter de keukenkast

Piep zeg, van mij heb je geen last

ik ben een piepkleine pieper muis

en ik woon graag bij jou in huis.

 

 

 

Een gedichtenbundel vol kleuterpoëzie

                         Door

     WAMPIE  LE COMTE

Geef een reactie