LC Taal – leerroute 1,2,3 en Plancius communicatie

Projectplan taal leerroute 1,2,3 en Plancius communicatie

wordletaal

Inhoudsopgave

blz. 02                  Inhoudsopgave

blz. 03                  Voorwoord

blz. 05                  Lichtenbeek

blz. 06                  De leerling

blz. 07                  Taalonderwijs algemeen

blz. 09                  Taalonderwijs speciaal onderwijs

blz. 11                  Vormgeving taal ZMLK

blz. 12                  Doelstelling projectplan

blz. 13                  Stappenplan

blz. 16                  Bronvermelding

e4964fd7b9c08531c6a35a1a85425d66

Voorwoord

Taal is een basisvaardigheid. Het is belangrijk dat leerlingen taal goed beheersen. Om later goed te kunnen functioneren in de maatschappij en bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt. Daarom zijn er zogenaamde referentieniveaus voor Nederlandse taal. Hierin staat duidelijk wat leerlingen moeten kennen en kunnen tijdens hun schoolloopbaan.

De referentieniveaus Nederlandse taal, schrijven voor wat leerlingen moeten kennen en kunnen. De referentieniveaus gelden voor het basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (mbo).

Voor zeer moeilijk lerende (zml) of meervoudig gehandicapte (zml-mg) leerlingen gelden geen referentieniveaus.

Aldus schrijft de Rijksoverheid, ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015)

De referentieniveaus beschrijven welke basiskennis en -vaardigheden leerlingen moeten beheersen voor taal.

Uit onderzoek (Regioplan) blijkt dat scholen in het primair onderwijs en het speciaal onderwijs actief aan de slag zijn gegaan met het verbeteren van hun taalonderwijs. De inspanningen van de basisscholen zijn terug te zien in de leerling prestaties: de taalprestaties zijn licht gestegen. Het voornaamste knelpunt in het primair onderwijs en het speciaal onderwijs ligt volgens onderzoek (Regioplan) in de onduidelijkheid bij scholen hoe zij concreet met de referentieniveaus aan de slag moeten gaan. Het is dan ook van belang dat de scholen gebruik kunnen maken van taal- en rekentoetsen die meten hoe leerlingen presteren ten opzichte van de referentieniveaus.

De Cito-toets wordt aangepast zodat daarmee de referentieniveaus in groep 8 kunnen worden gemeten. Deze toets wordt omstreeks 20 april afgenomen. Een centrale eindtoets wordt verplicht, maar ook andere toetsontwikkelaars dan Stichting Cito mogen eindtoetsen aan de scholen aanbieden. De verplichte eindtoets wordt vanaf schooljaar 2014-2015 ingevoerd. Vanaf 2016 geeft deze toets inzicht in de beheersing van de referentieniveaus. Scholen voor speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs gaan op termijn ook de eindtoets afnemen. De komende jaren kunnen zij op vrijwillige basis deelnemen aan de toets. De eindtoets wordt op twee niveaus aangeboden (eindtoets niveau en eindtoets basis). De keuze voor het niveau van de toets moet gemotiveerd worden op basis van de ontwikkeling van de leerling, zoals die blijkt uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem.

Dit is wat de overheid erover meldt en blijkens het artikel valt speciaal onderwijs zml en zml-mg vooralsnog tussen de wal en het schip.

Toch zullen wij ook voorbereid moeten zijn en tevens willen wij verbeteringen aanbrengen in ons taalonderwijs binnen Lichtenbeek.

Middels het projectplan taal wil ik zoveel mogelijk een doorgaande lijn in ons taalonderwijs bewerkstelligen, van Plancius communicatie tot en met leerroute 3. Daarbij zal er, in samenwerking met de projectleider taal leerroute 4,5 en 6, gekeken worden naar overlappingen en de verdere doorgaande lijn.

Het mooiste zou zijn als we de leerlingen, hun SO periode een, op de behoeftes van de leerlingen in desbetreffende leerroutes afgestemde, basis taalschat kunnen meegeven, welke ieder leerjaar wordt uitgebreid en die wordt doorgevoerd in het vervolgonderwijs. Tevens zal deze basis taalschat afgestemd worden op de op handen zijnde CITO taaltoets voor speciaal onderwijs.

In dit projectplan beschrijf ik het doel van het project, het tijdspad, kortom het waar, wanneer, hoe, wat, wie en waarom.

Lichtenbeek – de school

Lichtenbeek biedt speciaal onderwijs (so) aan kinderen van 4 t/m 13 jaar met een lichamelijke, verstandelijke of meervoudige beperking en aan langdurig zieke kinderen.

We stemmen ons onderwijsaanbod zoveel mogelijk af op de wensen en behoeften van de kinderen.

Doelstelling is een basis te leggen voor hun latere functioneren in de maatschappij, gericht op wonen, werken, vrije tijd en goed burgerschap. Dit noemen wij transitie. Het voortgezet (speciaal) onderwijs bouwt dit verder uit.

Dit projectplan richt zich op taalonderwijs voor ZML leerlingen vallend binnen de leerlijnen; Plancius, leerroute 1,2 en 3.

Leerlingen die binnen het handelingsplan werken aan Plancius communicatie, leerroute 1,2 en 3 vinden we voornamelijk in;

  • de Oranje stroom – In een groep zitten 6 of 7 leerlingen die gedurende de hele dag ondersteuning nodig hebben. Het aanbod ligt vooral in de voorwaarden om te kunnen ontwikkelen. Er wordt gewerkt met speciale werkwijzen en methodieken.
  • De Gele stroom – In de gele stroom zitten leerlingen van 7 t/m 13 jaar. De gemiddelde groepsgrootte is 8 leerlingen (richtinggevend IQ < 45). Uitgangspunten zijn leerstof overstijgende doelen, met name praktische en sociale redzaamheid en communicatie. Leerlingen van de gele stroom zullen vrijwel altijd doorstromen naar het voortgezet speciaal onderwijs voor leerlingen met een verstandelijke of meervoudige beperking.
  • De Paarse stroom – In de paarse stroom zitten leerlingen van 7 t/m 13 jaar met een richtinggevend IQ van < 55. De gemiddelde groepsgrootte is 12 leerlingen. Uitgangspunten voor het onderwijs zijn de kerndoelen ZML (zeer moeilijk lerende leerlingen). Hoewel alle vakken worden aangeboden, ligt de nadruk op communicatie en zelfredzaamheid. Ze moeten er vaardigheden kunnen opdoen en een houding kunnen ontwikkelen waarmee ze zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren.
  • Binnen de paarse stroom is er een structuurgroep. In deze groep zitten 7 leerlingen die naast hun verstandelijke beperking een stoornis in het autistisch spectrum (ASS) hebben. Hierdoor kunnen zij niet in de reguliere groepen van de paarse stroom functioneren. Waar mogelijk is het wel een streven om de kinderen terug te plaatsen naar een reguliere groep.
  • In de structuurgroep krijgen de kinderen meer 1-1 begeleiding. Binnen de groep wordt structuur aangeboden in activiteit, ruimte en tijd. Voorbeelden hiervan zijn: werkbakken, picto’s voor het dagprogramma, gekleurde naamkaartjes, eigen werkplekken, gebruik van de time-timer. Dit helpt de leerlingen om de wereld om hen heen beter te begrijpen en te ordenen.
  • De Groene stroom – Een enkele keer zal het voorkomen dat leerlingen op leerroute 3 niveau, een leerroute 4 leeromgeving nodig hebben. Andersom is dit eveneens het geval. Er zijn leerlingen op leerroute 4 niveau die een leerroute 3 leeromgeving nodig hebben. Hier vinden we dus de overlappingen in taalonderwijs. De groene stroom is voor leerlingen van 7 t/m 13 jaar met een richtinggevend IQ van 45-60. De groepsgrootte is gemiddeld 9 leerlingen. Uitgangspunten voor het onderwijs zijn de kerndoelen ZML (zeer moeilijk lerende leerlingen). Hoewel alle vakken worden aangeboden, ligt de nadruk op communicatie en zelfredzaamheid.

De leerling

3 basisbehoeften van het kind (Luc Stevens 2009)

Behoefte aan relatie Het kind heeft de behoefte aan relatie. Het kind wil graag dat hij geliefd en gewaardeerd wordt door mensen om zich heen. Dus ook door ons als leerkracht.

Voor de ontwikkeling van het kind is het belangrijk dat hij / zij opgroeit in een veilige en liefdevolle omgeving. Op deze manier zal het kind meer ruimte en energie hebben om zich te richten op het leren (van bijvoorbeeld taal).

De meeste kinderen voelen zich in de thuissituatie het meest veilig en ervaren daar de meeste liefde. Het kind zal door deze bijzondere relatie zich makkelijker durven open te stellen dan in andere situaties. Ideaal wanneer je de ontwikkeling van het kind wilt prikkelen.

Behoefte aan competentie

Het kind wil zichzelf graag competent voelen en heeft hierbij geloof en plezier in eigen kunnen nodig. Je hebt als leerkracht dus de belangrijke rol om de leerling te laten ervaren dat hij / zij het kan. Je moet het kind succeservaringen laten opdoen (door opdrachten / taken aan te bieden, die het kind kan behalen) en positieve verwachtingen hebben ten opzichte van uw kind. Spreek de positieve verwachtingen ook uit. Bijvoorbeeld door te zeggen: ‘Ik weet zeker dat het je gaat lukken, als je er goed je best voor doet’. Of: ‘Weet je nog dat het de vorige keer ook zo goed was gegaan bij letters oefenen? Het lukt je nu vast weer!’

Laat de leerling dus zien dat je blij bent met hem/haar. Niet alleen gebaseerd op prestaties, maar ook hoe hij / zij als persoon is (bijvoorbeeld altijd vrolijk of grappig, etc).

Behoefte aan autonomie

Het kind krijgt een steeds grotere behoefte om zelfstandig taken uit te voeren. Hij / zij vindt het leuk om zelf dingen te kunnen ondernemen, zonder daarbij hulp te krijgen. Je moet daarom soms bepaalde dingen uit handen kunnen geven. Laat het kind zelf beslissingen nemen en complimenteer het kind wanneer hij / zij zelf stappen onderneemt (initiatieven neemt).

Taalonderwijs algemeen

Een goede ontwikkeling en beheersing van de Nederlandse taal is erg belangrijk voor schoolsucces en, op welk niveau dan ook, maatschappelijk functioneren. Goed taalonderwijs aan kinderen en jongeren is daarom essentieel.

Goed taalonderwijs is interactief taalonderwijs. Interactief taalonderwijs is gebaseerd op drie pijlers (Sociaal leren, Betekenisvol leren en Strategisch leren) ontwikkeld door het Expertisecentrum Nederlands.

Een kind ontwikkelt zich op 4 verschillende gebieden:

  • Fysieke ontwikkeling (daaronder valt onder andere de bouw van het lichaam, spieren en de behoefte aan eten, drinken en slapen)
  • Cognitieve ontwikkeling (deze ontwikkeling heeft betrekking op de intellectuele vermogens, het denken en ordenen van informatie etc.)
  • Persoonlijkheidsontwikkeling (heeft te maken met stabiliteit en verandering in de eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheidt. Denkt u maar eens na over dat iedereen van elkaar verschilt.)
  • Sociale ontwikkeling (de manier waarop mensen met elkaar interacties hebben en hoe sociale relaties in ieders leven groeit. Bijvoorbeeld het aangaan van vriendschappen.)

Taalontwikkeling valt onder de cognitieve ontwikkeling.

Taalontwikkeling is een essentieel onderdeel van de algemene ontwikkeling van het kind:

•             Taal is een communicatiemiddel: door te spreken, denken, fantaseren, … komt een kind in contact met zijn
omgeving en kan het ‘met woorden’ verstaanbaar maken hoe het de dingen om zich heen beleeft. (lees hier
ook; picto’s, gebaren, spraakcomputers etc.)

•             Taal oefent een invloed uit op het denken van het kind en omgekeerd. Taal is een soort filter voor de
werkelijkheid. Het helpt om indrukken te verwerken en te interpreteren.

•             Taal helpt ook om het zelfbesef en de identiteit te doen groeien. Het woord ‘ik’ krijgt stap voor stap
betekenis.

•             Ten slotte is taal een belangrijk hulpmiddel voor de sociale ontwikkeling. Het ondersteunt om tot een
groep te kunnen behoren en in een groep te kunnen functioneren.

De grote ontwikkelingsfasen in de ontwikkeling van taal:

•             de voortalige fase: van comfortgeluidjes naar brabbelen

•             de vroegtalige fase: van eenwoordzinnen naar tweewoordzinnen

•             de differentiatiefase: langere en complexere zinnen, uitspraak verfijnen, explosie woordenschat,
uitbreiding van communicatieve functie van taal met niet-talige communicatie.

•             de voltooiingsfase

Om de ontwikkeling van de leerling te stimuleren moet je aansluiten bij de interesses van het kind . Daarbij wordt geen onderscheidt gemaakt tussen de fysieke, cognitieve, persoonlijkheids- of sociale ontwikkeling. Al deze gebieden kunnen het best gestimuleerd worden, wanneer je rekening houdt met de leef- en belevingswereld van het kind.

Voor onze doelgroep zullen de ontwikkelingsniveaus verschillend zijn maar er zal daarom vooral rekening gehouden moeten worden met leef-en belevingswereld van onze leerlingen.

Leefwereld

Onder leefwereld wordt er gekeken naar het milieu waarin het kind opgroeit. De leefwereld van het kind kan heel erg breed zijn. In een thuissituatie moet er op het niveau van leefwereld worden gekeken naar gezin (partner, broers / zussen of andere mensen in huis wonen), maar ook naar de waarden en normen binnen het gezin. Deze waarden en normen verschillen per gezin. Misschien is het in een gezin gebruikelijk dat het kind mee helpt in het huishouden en in het andere gezin is dat niet van toepassing. Ouderparticipatie is daarom een belangrijk onderdeel als we taalonderwijs nog opbrengstgerichter willen laten worden.. Wanneer school en thuis op één lijn denken en handelen zal het kind nog meer vooruitgang boeken. De thuiswereld binnen school brengen en andersom geeft leerlingen een veilig gevoel. Binnen veiligheid zal een kind zich nog eerder en makkelijker uiten.

Onder de leefwereld van het kind valt ook de school van het kind. Daar kunnen weer hele andere waarden en normen van belang zijn. Op een school moet er geleerd worden. Je kunt je vast voorstellen dat een kind zich anders ontwikkelt op de school dan in de thuissituatie. Er worden bijvoorbeeld al hele andere soorten gesprekken gevoerd. En ook is de groepssamenstelling in de klas van de leerling veel groter en is de groep erg divers (er zijn meer verschillen doordat de groep groter is).

Belevingswereld

Bij de belevingswereld wordt er eigenlijk gekeken naar de wereld vanuit het kinderperspectief. Wanneer je vanuit het kinderperspectief naar de wereld wilt kijken, dan verplaats u je je in de leerling. Je zult merken dat, indien het kind 4 jaar oud is, andere dingen interessant vindt dan wanneer een kind 12 jaar oud is. Dat hier vaak juist in het speciaal onderwijs ZML vaak gaten vallen en hiaten ontstaan omdat de ontwikkelingsleeftijd niet gelijk loopt met de kalenderleeftijd moge duidelijk zijn. Daar waar een leerling 12 jaar is, zich bezig houdt met popgroepen of soaphelden, maar taalonderwijs krijgt met plaatjes van Dora of Woezel en Pip, slaan we mogelijk de plank mis. Hier ligt een belangrijk stuk voor de taalonderwijsontwikkelaars om dit hiaat zo klein mogelijk te maken en de leerstof aan te passen aan de kalenderleeftijd om het voor de leerling interessant te houden. Of hier in ieder geval bewust van te zijn en rekening mee te houden.

Kinderen met dezelfde belevingswereld hebben dezelfde interesses. Zij kijken bijvoorbeeld naar dezelfde televisieprogramma’s en zij vinden dezelfde dingen stom en leuk. Vaak zie je dat kinderen met dezelfde leeftijd dezelfde interesses hebben. In de kleuterfase willen kinderen heel graag ontdekken. Dit is kenmerkend voor deze leeftijdsfase. Je kunt dus zeggen: Bepaalde leeftijdsfases roepen dezelfde behoeften op

Verloop van de taalontwikkeling

Taal is te onder te verdelen in twee verschillende aspecten. Taalbegrip, wat betekent dat je kunt begrijpen wat er gezegd word, en taalproductie, het zelf gebruiken van taal om te kunnen communiceren. In deze twee aspecten zit een groot verschil. Kinderen zijn sneller in staat om te begrijpen wat er gezegd word, oftewel taalbegrip, dan dat zij in staat zijn om zelf taal te produceren. Taalbegrip komt dus eerder dan taalproductie. Taalbegrip is passief, taalproductie actief.

Taalonderwijs speciaal onderwijs

Bij kinderen met een verstandelijke beperking verloopt de taalontwikkeling op een andere manier. Het begrijpen van de gesproken taal en het zich kunnen uiten in gesproken taal komt vertraagd op gang en zal zich anders uiten.

Mensen met een verstandelijke beperking hebben dezelfde behoefte aan informatie en communicatie als ieder ander mens. Mensen die problemen hebben met lezen en begrijpen lopen snel een informatieachterstand op omdat de informatie niet begrijpbaar voor hen wordt gemaakt en omdat hun bewuste informatiebehoefte laag ligt en daardoor niet snel naar de informatie vragen. Gevolgen van deze informatieachterstand zijn vaak dat ze niet zelf kunnen beslissen, geen greep krijgen op het eigen leven en afhankelijk zijn van anderen. Daarnaast is communicatie een van onze meest essentiële levensbehoeften. Elk mens heeft behoefte aan erkenning, invloed en genegenheid, mensen met een verstandelijke beperking ook.

Communicatie is belangrijk voor iedereen en dus ook voor kinderen met een verstandelijke beperking. Als een kind moeilijk of helemaal niet kan praten is het belangrijk dat je dit kind op een andere manier leert communiceren. Dat kan met voorwerpen, foto’s, picto’s of gebaren.

Ieder kind met een beperking communiceert op zijn eigen manier afhankelijk van ontwikkelingsniveau en lichamelijke beperking.

Het is belangrijk uit te zoeken welke vormen van communicatie het kind begrijpt en waarmee het zelf ook kan communiceren om begrepen te worden.

Wat bereik je met communicatie op maat: -Je geeft afgestemde info. -Je biedt veiligheid, overzichtelijkheid en structuur. -Je vergroot de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en het keuzegedrag.
-Je lokt interactie/conversatie uit.
-Je bevordert de sociale vaardigheden en contacten.

Het onderwijs in Taal en communicatie is erop gericht, dat leerlingen nu en later hun taalvaardigheden effectief kunnen en willen gebruiken in situaties waarin ze verkeren. Ze dienen zich in die situaties verstaanbaar en begrijpelijk te kunnen uitdrukken en ze moeten kunnen verstaan en begrijpen wat anderen willen meedelen. In deze zin is het onderwijs in Taal en communicatie vooral gericht op praktische en functionele communicatie en taalgebruik, waarbij het bevorderen van redzaamheid en zelfstandigheid centraal staat. De leerlingen leren op een zo eigen mogelijke manier communiceren en leren zich bewegen in een omgeving waar verschillende manieren van communiceren voorkomen. Voor het leren communiceren wordt gebruik gemaakt van de meest geëigende vormen. Zoals gesproken en geschreven taal en beeldtaal waarbij gebruik gemaakt wordt van picto’s, gebaren, lichaamstaal, communicatie met behulp van technologie of andere hulpmiddelen. Van belang is dat de leerlingen leren durven communiceren verbaal en non-verbaal en/ of zich op een andere manier durven uiten. En, dat ze leren gemotiveerd te zijn om aan diverse vormen van communicatie deel te nemen, en dat ze leren genieten van diverse communicatie – en taalmiddelen/ producten.

Rekening houdend met de specifieke ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling richt de school haar onderwijsaanbod zodanig in, dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen. De onderwijsbeperkingen binnen ZML vragen van de school voortdurend inhoudelijke en didactische aanpassingen van het onderwijsleerproces.

Voor het onderwijs aan ZML leerlingen is het van grootbelang dat het leerstofaanbod samenhang en structuur vertoont. De doorgaande lijn is daarom erg belangrijk om ‘los zand’ lessen te voorkomen. Daarnaast is het belangrijk dat iedereen die met het kind werkt, ook ondersteunend personeel (ZBO en Klimmendaal) en ouders, op de hoogte zijn doelen en afspraken op gebied van taalonderwijs.

Vormgeving taal ZMLK

Met name in de SO-fase en afhankelijk van het niveau van de leerling ligt het accent binnen het taalonderwijs binnen het SO ZML op interactie leraar leerling. Het initiatief ligt veelal bij de leraar die de interactie stimuleert/ uitlokt tussen de leerlingen onderling en de leerling en de leerkracht . Verbale interactie tussen leerlingen onderling komt bij ZML -leerlingen veelal later en moet ook expliciet gestimuleerd worden. Tijdens de specifieke lessen maar ook in thema’s (Oriëntatie in mens en wereld) moet de spreek- en luistervaardigheid van de leerlingen optimaal bevorderd worden. Voorwaarden hierbij zijn:

  • een positief en veilig klimaat
  • betekenisvolle en zinvolle spreek- en luistertaken
  • gerichte ondersteuning van begrip (luisteren) en productie (spreken).

Vooral voor spreekvaardigheid is de veiligheid van de omgeving essentieel. Leerlingen zullen zich in deze ontwikkelen als ze zich niet bedreigd voelen, als hun competentiegevoel positief wordt aangesproken, en als ze het gevoel hebben dat hun bijdrage ertoe doet. De leerkracht kan legio initiatieven ontplooien om voor alle kinderen een veilig spreek- en luisterklimaatte creëren: o.a. geïnteresseerd reageren op bijdragen van kinderen, doordacht omspringen met foutencorrecties, beveiligen van beurten, positieve feedback geven, kleine groepen creëren, bewust werken aan een luisterklimaat, etc.
Leerlingen moeten gemotiveerd worden om tot luisteren en spreken te willen komen. Bij leerlingen moet met andere woorden intrinsieke ‘spreekdrang’ en ‘luisterhonger’ gecreëerd worden. Door resoluut te kiezen voor onderwerpen die aansluiten bij de belangstellingswereld, de leefwereld en de eigen vragen van leerlingen kan die intrinsieke motivatie nagestreefd worden. Naast ‘motiverend’ moeten luister- en spreekactiviteiten leerlingen aanzetten om hen eigen grenzen te verleggen, en dus een bepaalde uitdaging in zich dragen. (zie ook leef-en belevingswereld) Spreek- en luistervaardigheid mag zich hoegenaamd niet beperken tot het vak ‘taal’. Prachtige werkvormen tijdens het vak taal die tot doel hebben om kinderen aan het spreken en luisteren te krijgen mogen geen schaamlapje zijn voor het gebrek aan echte interactie tijdens de andere vakken en activiteiten. Vandaar dat moet gewerkt worden aan een luister- en spreekvriendelijk klimaattijdens alle lessen, tijdens alle anderen vakken, en buiten het eigenlijke onderwijs om.

Binnen het leergebied Taal en Communicatie zijn diverse taalonderdelen te onderscheiden. In de kerndoelen ZML zijn dat b.v. de onderdelen

  • de algemene communicatie (o.a. via gebaren, picto’s, taal e.d.)
  • de mondelinge taalvaardigheid (met de onderdelen luisteren, spreken, gesprek)
  • de schriftelijke taalvaardigheid (met de onderdelen lezen en schrijven
  • de taal(woorden)schat en taalbeschouwing.

(Taal en communicatie in zml SO Bronnenboek Tjitse Bouwmeester Ellen Seiger SO/3171.001/D/05-117)

Stappenplan

project

Doelstelling projectplan

Het verbeteren van de opbrengsten op het gebied van communicatie/schriftelijke- en mondelinge taal, conform de kerndoelen uit de Plancius stamlijn A en B communicatie, leerlijn leerroute 1,2 en 3

 

Dit bewerkstelligen middels:

Een doorgaande lijn van Plancius communicatie tot en met leerroute 3 met een overlapping naar 4

In kaart brengen van de uitstroomprofielen van diverse leerroutes en de daarmee samenhangende streefkwaliteit en hierdoor doorgaande doorstroom bevorderen.

Een stimulerende/uitdagende taalomgeving. De omgeving aanpassen om de taalontwikkeling van deze kinderen optimaal te stimuleren

De leermiddelen/methodes kiezen op basis van het optimaal stimuleren van de taalontwikkeling.

Interventie gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van communicatie, taal en beginnende geletterdheid, waarbij onder andere gebruik werd gemaakt van ankergestuurde instructie, ervaringsgericht leren en de inzet van Ondersteunde Communicatie.

Middelen in kaart brengen en aanreiken de leerling zo nauwgezet mogelijk te volgen.

Bevorderen van de receptieve en productieve taalontwikkeling van kinderen door kennisverspreiding bij klassenleiding, ondersteunend personeel en ouders.

Uitgaan van de specifieke ontwikkelingsbehoefte van de leerlingen. Wat hebben zij nodig om zich optimaal te kunnen ontwikkelen op gebied van communicatie en mondelinge- en schriftelijke taal.

Kennis en vaardigheden vergroten/verruimen. Op de hoogte houden van ontwikkelingen op gebied van communicatie/mondelinge- en schriftelijke taal.

In kaart brengen en aandragen van communicatie ondersteunende materialen. Digitale ondersteuning. (ICT/Media middelen)

Voorbereiden op de toetsing referentieniveaus speciaal onderwijs ZML

Samenwerking met andere ZML scholen (netwerken) en instanties op gebied van taal.

Blijvend uitdaging zoeken en aanbieden op gebied van kennis en vaardigheden betreffende communicatie en mondelinge/schriftelijke taal (omgeving) en vinden van concrete oplossingen het taalonderwijs te bevorderen en de opbrengsten verbeteren.

 

Een ‘taalschat’ ontwikkelen die de leerling per leerroute zijn hele SO loopbaan meeneemt en uitbreidt maar ook kan meenemen naar een eventuele volgende leerroute. Voldoet aan de eisen die het vervolgonderwijs stellen en de op handen zijnde CITO taal eindtoets speciaal onderwijs.

 

Stappenplan taal Plancius + leerroute 1,2, en 3

Definitie fase:

Onder taal vallen mondelinge taal, schriftelijke taal (lezen-schrijven), totaalcommunicatie, gebaren, picto’s
Doelstellingen: Het verbeteren van de opbrengsten op het gebied van communicatie/schriftelijke- en mondelinge taal, conform de kerndoelen uit de Plancius stamlijn A en B communicatie, leerlijn leerroute 1,2 en 3

Taal inhoudelijk een eenduidig gezicht geven binnen leerroutes 1,2, en 3 Lichtenbeek.

  • Inventariseren aanwezige leermiddelen en methoden
  • Inventariseren wat leerkrachten in de klas belangrijk op gebied van taal/communicatie
  • Inventariseren wat logopedisten belangrijk vinden in hun praktijk belangrijk vinden op gebied van taal/communicatie
  • Inventariseren wat ib-ers in hun praktijk tegenkomen op gebied van taal gekoppeld aan leerlijnen en kerndoelen, registratie, methoden etc.
  • Inventariseren uitstroomprofielen gekoppeld aan taal en kerndoelen VSO
  • Meetbaar door streefkwaliteit als leidraad te nemen en MLS als registratie instrument
  • Het belang van taal
  • Artikelen verzamelen op een yurl/website/item Digiplein
  • Mogelijk een maandelijkse briefing
  • Meetbaar maken door reacties die achtergelaten kunnen worden en eigen inbreng mogelijkheid te creëren.
  • Taal binnen Lichtenbeek laten leven en elkaar inspireren
  • Studiedagen rond thema communicatie
  • Gebaren cursussen blijven geven
  • Gebaren in de gangen e.d.
  • Letter/woord/spellingsregel van de week
  • Totaalcommunicatie blijven aanbieden
  • Yurl met mogelijkheden-tips-materiaal
  • Verzamelplek met eigen gemaakte lesmaterialen (yurl/pinterest/’taalotheek’?)
  • Ontwikkelen van een ‘taalschat’ die met de leerlingen ‘meeloopt’ (zie projectplan taal onderbouwing)
  • Meetbaar tijdens reacties studiedagen, zichtbaar gemaakt in de gangen etc., inschrijvingen cursussenTaal altijd blijvend in ontwikkeling
  • Taal en apps
  • Taal/communicatie met robots
  • Communicatieplan apps
  • Picto veranderingen
  • Deelnemen aan conferenties/community ’s
  • Meetbaar door implementatie en evaluatie (aangeboden door projectleider en deskundigen)Stappenplan:Inventarisatie fase:
  •  
  •  
  •  
  • Inventariseren behoeften collega’s in diverse stromen (lees leerroutes) Mogelijkheden: individueel- organisatorische vergadering- klassenconsulatie-enquêteformulier
  • Inventariseren materiaal en methoden Mogelijkheden: kijkje in de kasten – afspraak met ib-ers
  • Yurl taal betreffende leerroutes (inmiddels in wording)
  • Inventariseren behoeften-hiaten taal bij ib-ers Mogelijkheden: gesprek – enquêteformulier/wensenlijst
  • Inventariseren activiteiten/invulling/behoeften logopedisten totaalcommunicatie Mogelijkheden: gesprek – enquête formulier
  • Bekwamen in diverse leerroutes!!!!! (deels al gebeurd)Gegevensonderzoek:
  • Verzamelen gegevens uit inventarisatiefase en deze koppelen aan de praktijk – naast elkaar leggen van behoeften – alle materialen en methoden in kaart brengen (met bevindingen)
  • Gesprek met ib-ers over belang/prioriteiten t.a.v. doorgaande leerlijn – waar zitten overlappingen (leerroutes/lesmaterialen/methoden) – wat te doen met achterblijvers en vooruit lopers – welk gezicht willen ib-ers de doorgaande lijn geven – uitstroomprofiel
  • ‘Eén lijns’ gesprekken – afgevaardigden van elke leerroute (?) – waar verschillen we en waar zitten de overeenkomsten en waar kunnen we elkaar vinden? – vasthouden en loslaten aan gewoontenGesprek logopedisten aansluiten bij de groep of andersom – thema’s – overeenkomende en verschillende belangen – mede of tegenwerking – Ervaar het maar en groepslogopedie in de praktijk nu en toekomst
  • – vaststellen belangen/prioriteiten
  • Gesprek directie over uitslag inventarisatie en gegevensonderzoek – resultaten – wensen – mogelijkheden – volgende stappen

 

Vragen te stellen bij voortgangsgesprekken

  • Gaan we uit van kerndoelen?
  • Gaan we uit van methoden?
  • Gaan we uit van behoeften van leerlingen? Wat hebben onze leerlingen nodig?
  • Hoe dragen we één belang/lijn uit?
  • Werkgroep taal met afgevaardigden uit elke leerroute o.l.v. projectleider -> inspiratoren

Opstellen projectplan:

Wat heb ik nodig:

 

Tijdspad

  • Inventarisatiefase tot aan de zomervakantie
  • Gegevensonderzoek tot aan de kerstvakantie
  • Opstellen projectplan tot aan de meivakantie
  • Uitvoeren projectplan eerste stappen tot aan de zomervakantieMiddelen
  • Tijd
  • Een werkplek op Digiplein
  • Een yurl/pinterest
  • Deelname/ruimte vergaderingen stromen
  • Naschools overleg ib-er en logopedisten
  • Inventarisatie lijsten methoden en materialen (zelf ontwikkelen)
  • Bekwamen leerroutes (via ib-ers, MLS kerndoelen en leerlijnen, klassikale consultatie 

Bronvermelding

Websites:

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/taal-en-rekenen/inhoud/referentiekader-taal-en-rekenen

http://www.taalenrekenen.nl/referentiekader/betekenis/schoolleider/poso/

http://www.lichtenbeek.nl/DeSchool/Paginas/default.aspx

http://www.expertisecentrumnederlands.nl/over-en/missie-visie/

http://taalunieversum.org

www.slo.nl

Boeken:

L.Stevens (Red.) (2004). Zin in School. Amersfoort: CPS.

Taal en communicatie in zml SO Bronnenboek Tjitse Bouwmeester Ellen Seiger SO/3171.001/D/05-117

Artikelen:

André de Jong (Cito), Judith Hollenberg (Cito) en Judith Vloedgraven (Cito) Toetsen voor speciale leerlingen Artikel uit JSW, nummer 10, juni 2014

Mieneke Landberg, Judith Vloedgraven (Cito) en Mina Boswinkel Passende perspectieven bij specifieke onderwijsbehoeften Artikel uit PrimaOnderwijs.nl, nummer 5, september 2013

Beelen, E.E. (2008) Faculty of Social and Behavioural Sciences Theses (Master thesis) Vergroting van de Nederlandse taalvaardigheden door middel van een op E-learning gebaseerd taalprogramma binnen een gesloten inrichting
ff